Doneer Word Beschermer
Header afbeelding

900 jaar

Hoe de Kromme Rijn al eeuwen het landschap bepaalt

900 jaar stadsrechten, landschapsontwikkeling en waterbeheer

 

Naast ons 95-jarig bestaan vieren we in 2022 nóg een jubileum: 900 jaar stadsrechten van Utrecht. Daar zit een geschiedenis achter die sterk verbonden is met de Kromme Rijn, het landgoed Oostbroek en dus met Utrechts Landschap. Met René de Kam, conservator Stadsgeschiedenis van het Centraal Museum en Hendrike Geessink, hoofd Beleid & Planvorming van Utrechts Landschap, nemen we een duik in de geschiedenis van de Kromme Rijn én kijken we naar de toekomst, die door diezelfde geschiedenis wordt bepaald.
 
Dit verhaal begint en eindigt met de rivier die we nu kennen als de Kromme Rijn. Vanaf Wijk bij Duurstede meandert deze langs Cothen, Werkhoven, Odijk en Bunnik naar de stadsbuitengracht van Utrecht. ‘Ik denk dat de Kromme Rijn de rivier is met de rijkste historie van ons land,’ zegt Hendrike Geessink. ‘In de Romeinse tijd vormde de rivier als hoofdloop van de Rijn de noordgrens van het
Romeinse Rijk, de Limes. En later heeft de rivier een belangrijke rol gespeeld voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie: beide fenomenen zijn Unesco-Werelderfgoed. Dat de rivier het landschap voor een groot deel heeft bepaald, vinden we nog regelmatig terug bij bodemonderzoek. De onderzoeks- en dateringstechnieken ontwikkelen zich nog altijd, wat een schat aan bodemkaarten heeft opgeleverd. Daarop is goed te zien dat die loop heel dynamisch is geweest en zich vaak heeft verlegd.’
 

Afdamming

Omstreeks de negende eeuw verplaatste de hoofdloop van de Rijn zich geleidelijk naar de Lek. De Kromme Rijn verzandde en dat gaf overlast. Soms was er te weinig water, dan weer te veel. Dat speelde vooral in het laaggelegen, langgerekte gebied dat Langbroek (lang moeras) werd genoemd, weet stadshistoricus René de Kam: ‘Daar konden het smeltwater uit de Alpen en het grondwater vanaf de Utrechtse Heuvelrug niet weg. Het was al moerassig gebied, maar in het voorjaar was het een soort badkuip; het gebied liep volledig onder.’
Dat bracht de Utrechtse bisschop Godebald op het idee om de Kromme Rijn af te dammen om het waterpeil te beheersen, zodat het gebied kon worden ontgonnen. ‘Dat was een manier om invloed te vestigen en nieuwe inkomsten te verwerven, legt René uit. ‘Voor die tijd was het wildernis waar niemand kon leven; nieuwe bewoners betekende extra invloedsfeer. Daarbij was het ook van belang om landbouwgrond aan te leggen, om te voorzien in voeding voor de groeiende bevolking van de stad.’
 

Rijksdag

De Utrechtse inwoners zagen echter niets in het plan, omdat de Kromme Rijn een belangrijke handelsroute met Duitsland vormde. Aangezien het om een hoofdvaarweg van het keizerrijk ging, had de Duitse keizer Hendrik V het laatste woord. In 1122 kwam hij naar Utrecht voor een rijksdag. René: ‘De precieze aanleiding is onbekend, maar op een zeker moment raakten keizerlijke troepen slaags met manschappen van de bisschop, waarbij de Utrechtse burgers de kant van de keizer kozen. Als dank kende de keizer de burgers stadsrechten toe. Zo gaf de uitkomst winst voor beide partijen: de burgers kregen ter compensatie een nieuwe vaarweg naar de Hollandse IJssel (de huidige Vaartsche Rijn) en de bisschop kreeg zijn dam en kon het gebied gaan ontginnen.’
 

Handwerk

Het is nauwelijks te bevatten hoeveel werk er verzet is in de jaren na 1122, vertelt René: ‘De aanleg van de dam, het uitgraven van het kanaal, de grachten en de singel – allemaal handwerk, met houten schoppen. Hoe ze dat precies voor elkaar gekregen hebben, weten we nog altijd niet. Ook het ontginnen moet een enorm karwei geweest zijn. We weten wel dat ze het heel professioneel en systematisch aanpakten met de ervaring die eerder was opgedaan in het westen. In de negende, tiende en elfde eeuw waren de zogeheten cope-ontginningen begonnen in het grensgebied tussen Het Sticht en Holland. De gebieden rond de Kromme Rijn kwamen pas later in beeld omdat daarvoor eerst afdamming van de Kromme Rijn nodig was. 1122 was hiervoor het ideale moment omdat de keizer toen naar Utrecht kwam.’
 

Oostbroek

Er gebeurde nog meer tijdens het verblijf van de keizer. Door enkele bekeerde ridders was ten oosten van de stad een klooster gesticht, gewijd aan Sint-Laurentius. Keizerin Mathilde schonk de abdij veel landerijen en rechten, zodat na afdamming van de Kromme Rijn ook daar land kon worden ontgonnen. Na de reformatie in de zestiende eeuw verviel het grondgebied aan de Staten van Utrecht. Op de plek van de abdij kwam later het landgoed Oostbroek; uit de omringende bezittingen ontstonden buitenplaatsen als Houdringe, Sandwijck en Vollenhoven. Ook Niënhof was ooit eigendom van de abdij. ‘Zo zien we dat de ontginningsgeschiedenis niet alleen cruciaal is geweest voor de ontwikkeling van  de stad, maar voor het gehele gebied ten oosten van Utrecht,’ zegt Hendrike. ‘Daarom laten we ons bij natuurontwikkeling altijd inspireren door de geschiedenis van het landschap.
 
'We laten ons bij natuurontwikkeling inspireren door de geschiedenis van het landschap'
 
Zo hebben we op Oostbroek in 1995 een deel van de verlande geul van de Kromme Rijn opengegraven; hetzelfde is in Niënhof gebeurd. Een nieuw natuurontwikkelingsproject in natuurgebied de Bunsing bij Zeist raakt ook aan zo’n oude geul. Het gebied heeft heel veel potentie voor natuurontwikkeling omdat de variatie in bodem, water en vegetatie zo groot is, juist ook op korte afstand.’
 

Riviernatuur

Om de oever op zijn plek te houden, was de Kromme Rijn tot eind vorige eeuw beschoeid met duizenden paaltjes. ‘Zulke harde oevers geven natuur weinig kans,’ weet Hendrike, ‘en bovendien werden die palen geïmpregneerd met creosootolie, wat slecht was voor de waterkwaliteit. Ik kom zelf uit Bunnik en als ik in mijn jeugd bij of in de Kromme Rijn had gespeeld moest ik me thuis uitgebreid wassen.’ In 1986 kwam het plan Ooievaar uit, een ontwikkelingsvisie voor het Nederlands rivierengebied met veel meer aandacht voor riviernatuur dan voorheen. Op basis van die nieuwe inzichten heeft Utrechts Landschap veel riviernatuurprojecten uitgevoerd, waaronder het doorsteken van de zomerdijk bij de Blauwe Kamer in 1992. Vanaf 1995 is begonnen met het aanleggen van natuurlijke  glooiende oevers en nevengeulen langs de Kromme Rijn; niet alleen door Utrechts Landschap, maar ook door gemeenten en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Hendrike: ‘Daardoor heeft de Kromme Rijn een heel ander karakter gekregen. Op de oevers groeien allerlei oeverplanten, en in en rond het water keerden veel soorten terug: naast vogels als de aalscholver en de ijsvogel vinden we er allerlei vissen, kikkers, slakken, vlinders en libellen, waaronder de weidebeekjuffer.’
 

Groene lopers

Het Kromme Rijngebied kent een gevarieerde bodemopbouw, omdat het een overgangsgebied is naar de hogere zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug. Hendrike: ‘Verschillende landschapstypen raken elkaar, wat een enorme variatie met zich meebrengt, zeker ook op watergebied. Van hoog naar laag rollen we zogeheten groene lopers uit. Bij Zeist hebben we op de hoge zandgronden heide uitgebreid, in de iets lager gelegen buitenplaatszone zijn parken opgeknapt en is een project voor sprengenherstel uitgevoerd. Weer iets lager kom je bij het Bunsingterrein, dat is al flink natter. Daar is de fosfaatrijke grond weggegraven zodat de voedselarmere bodem aan de oppervlakte komt en er meer kalkrijk grondwater benut kan worden. We hebben goede hoop dat zich hier natte schraalgraslanden en dotterbloemhooilanden gaan ontwikkelen. Nog lager komen we bij de mooi gerestaureerde landgoederen Blikkenburg en Wulperhorst en uiteindelijk bij de Kromme Rijn; door landschapstypen aan elkaar te koppelen realiseren we van boven naar beneden én langs de rivier zelf ecologische verbindingen.’
 

Bosontwikkeling

Daarnaast is er vraag naar meer bos in de provincie Utrecht. Vóór 2040 wil het provinciebestuur 1500 hectare nieuw bos laten realiseren. Hendrike hierover: ‘Wij hebben onderzoek gedaan waar bos echt iets zou toevoegen. In het Kromme Rijngebied zijn de omstandigheden gunstig omdat de bodem heel geschikt is voor bos. Denk daarbij aan de bostypen op Amelisweerd en Oostbroek. Deze hebben snelgroeiend loofbos met een rijke ondergrond waar veel soorten een plaats kunnen vinden, zoals kleine zangvogels en de wielewaal. Op andere plekken zien we mogelijkheden voor natter bos; ideaal leefgebied voor grotere vogels uit de reigerfamilie die in bomen broeden en tegelijk afhankelijk zijn van water omdat ze vis eten. Een wenssoort is bijvoorbeeld de kwak. Het zou geweldig zijn als die kan terugkomen, evenals de zwarte ooievaar. Het plan Ooievaar, dat ten grondslag ligt aan de vernieuwde kijk op riviernatuur, is indertijd naar die soort vernoemd. En als dammenbouwer hoort de bever natuurlijk helemaal in de Kromme Rijn thuis!’
 Blok 900 jaar